Het is alweer enige tijd geleden dat de Hoge Raad in haar arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) oordeelde dat tijdens het bewind het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toekomen aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW).

In een geding over een onder bewind gesteld goed treedt de bewindvoerder als formele procespartij op ten behoeve van de rechthebbende. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend.

Dit betekent dat een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (de huurder) –voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst – en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder en niet tegen de huurder.

“Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.” (r.o. 3.4.3)

Ondanks dat het voormelde reeds in maart 2014 is komen vast te staan zien wij in de praktijk dat verhuurders zich nog onvoldoende bewust zijn van de rol van de bewindvoerder binnen het huurrecht, althans zich er onvoldoende van vergewissen of de huurder onder bewind is gesteld.

Gevolg hiervan is dat indien de verhuurder van het bewind op de hoogte was of behoorde te zijn en ten onrechte de huurder dagvaart in plaats van de bewindvoerder dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van zijn of haar vorderingen.

Hierbij is van belang op te merken dat het beschermingsbewind in bepaalde gevallen is gepubliceerd in de openbare registers (namelijk indien het bewind is ingesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden artikel 1:391 lid 1 sub 2 BW). In dat geval kan een verhuurder die enkel de huurder dagvaart niet stellen dat hij of zij niet van het bewind op de hoogte was of kon zijn. In het geval het bewind is ingesteld wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van de huurder geldt dat het bewind enkel wordt ingeschreven wanneer dit is verzocht door degene die gerechtigd is om onderbewindstelling te verzoeken, door de bewindvoerder, of wanneer dit ambtshalve door de kantonrechter is bepaald (artikel 1:391 sub 3 jo 436 lid 3 derde volzin). Weliswaar bestaat er dus de mogelijkheid dat het bewind niet is ingeschreven, toch is het van belang om in alle gevallen het register te checken. Dit geldt ook voor curatele en mentorschap.

Niet alleen is het van belang om te weten of een huurder onder bewind is gesteld in het kader van een te voeren gerechtelijke procedure, het is ook van belang voor het voeren van overleg om te bezien of partijen in der minne tot een oplossing kunnen komen. Zo kan de bewindvoerder (in bepaalde gevallen) rechtsgeldig de huurovereenkomst (namens de huurder) opzeggen, waardoor een eventuele ontbindings- c.q. ontruimingsprocedure kan worden voorkomen.

Kortom, de verhuurder kan er niet vaak genoeg op worden gewezen dat hij of zij zich ervan moet vergewissen of de betreffende huurder onder beschermingsbewind is gesteld.

Over Anne Marie Pesman

Anne Marie Pesman is werkzaam op het gebied van vastgoed en handelszaken. Het accent van haar praktijk ligt op het huurrecht, zowel woon-als bedrijfsruimten. Ook houdt zij zich bezig met vraagstukken op het gebied van aansprakelijkheidsrecht, contractenrecht en bouwrecht. Tot … Lees verder »

Meer over Anne Marie Pesman »